Niets

Het was het razende van de drang naar de droogte van het grote niets in de steeds ostentatievere schemering, als een doorregende derde dag in de maand november, elfde kapitel in de dodeciaanse indeling van de absolute nonsens van een lineair voortschrijdende tijd. Maar dat boeit niet.
Wat er toe doet is het verlangen naar een moment van geluk, dronken van schoonheid, onder tafel gezopen door hij die niets begrijpt, verslagen door zij die eeuwig leeft in een land achter de regenboog.

De lokroep van iets goddelijk, druipend uit de wijndruif die barst onder de dwingende druk van een loodzware zuiderzon. Met betoverende beweging onttrekt ze zich van haar bezitter en dwarrelt op bevel van de mistral langsheen onmetelijke leegtes tot het neerstort in de onverzadigbare droogte van alles.

Ik wil versnellen, versnellen - versnellen tegen een fel magenta gekleurd landschap, met groene palmbomen en baby blauwe chevy's. De zon is er altijd rood, lippenstiftrood en de maan kennen we enkel uit een godvergeten weekblad. Voor ons ligt de aarde kopergeel, boven ons de zee diepgroen, achter ons de nacht nachtzwart. Versnellend in purperen zaligheid en genietend van de oneindigheid onzer val wil ik versnellen en versnellen.



No comments:

Post a Comment